off route

“Back on your route” bliept mijn horloge: de horizontale afstand tussen mij en de weg is inderdaad slechts enkele meters. De verticale afstand echter, is toch al snel een kleine honderd meter. Daar had de werkelijkheid mijn gps toch mooi tuk. En ik zit met een klein probleem, want de route hier naartoe heeft heel wat klauteren gekost en ik zie het niet zitten om datzelfde stuk weer te moeten afdalen. Ik heb geen trailschoenen bij me. Wel genoeg water en sportdrank.

De eerste keer dat ik in Italië een rondje ging hardlopen, had ik alles onderschat. Het pad dat totaal niet te rennen bleek, de hitte, de hoogtemeters en dus de hoeveelheid water die ik mee had. Omdat me dat geen tweede keer mocht overkomen, heb ik een route gekozen die volgens mijn horloge uit meer populaire stukken bestaat.

Het begint allemaal prima, met het eerste stuk over een kronkelpaadje dat stijl afdaalt richting de baai, gevolgd door een veel te hippe boulevard met beachclubs vol mensen wiens linkersok waarschijnlijk al duurder is dan mijn complete outfit. Dan duik ik een klein onooglijk grindpad in dat net boven het kiezelstrand slingert, dan weer even stijl omhoog, soms half weggeslagen met precies op de juiste plek takken om je aan vast te houden. Er is weinig hardlopen bij, maar het is hier stil, met hier en daar een geweldig uitzicht over de baai. Net als ik een beetje avontuur begin te voelen, en al zelfs stukjes heb moeten klauteren, vallen me de handdoekjes en tasjes op de rotsen op. En niet veel later verschijnen er ook geïmproviseerde hutjes. Dan maak ik kennis met de eigenaren van de handdoekjes en hutjes. Overal mannen die mij poedelnaakt ietwat minzaam toeknikken. Ik voel me een indringer die zich niet aan de dresscode houdt, maar wat me vooral verbaast is hoe deze mensen hier zijn gekomen. Want terwijl ik me met een trailvestje om toch best avontuurlijk bezig vond op dit uitdagende pad, verschijnen deze heren op de meest onmogelijke plekken en richeltjes op slippers of blote voeten. Hoe dan?

Het pad verdwijnt bij een grote rots die in het water ligt. Te hoog om overheen te klimmen. Omdat ik niet heel veel zin heb om rechtsomkeert te maken en alle mannen nog een keer te moeten  lastigvallen, waad ik om de rots heen. Aan de andere kant van de rots blijkt een blote dame te liggen in een soort strandhuisje bestaande uit een combinatie van wrakhout en huiselijke kleedjes, lampjes en een schilderij en die mij verder compleet negeert. Een steile geïmproviseerde trap gaat omhoog het groen in.

Na een flinke klim, eindigt het paadje bij een hek boven mij. Ik hoor auto’s razen en voor ik het weet sta ik op een smal strookje naast een provinciale weg. Als ik achterom kijk is het nauwelijks te zien dat achter het hekje een pad loopt. Na wat gezoek blijkt mijn route zich verder omhoog te slingeren aan de andere kant van de weg. Een kort sprintje over de weg en tien stappen later, is het razende verkeer verdwenen en loop ik alleen door het groen.

Hoger en hoger gaat het pad, dat soms even lijkt te verdwijnen en zich even later als een vage lijn langs een smal randje laat zien. Meer een “ach, deze kant ongeveer, zie maar”, dan een duidelijke route. De ondergrond verandert langzaam van zachte naalden en zand naar grind en steeds grotere stenen die het hardlopen weer onmogelijk maken. De route op mijn horloge en de werkelijkheid sluiten steeds minder op elkaar aan. “Off route” piept mijn horloge. Door mijn schoenen heen voel ik de scherpe punten terwijl het pad steeds onduidelijker wordt en net als ik denk dat ik me weer eens volledig heb vastgelopen, sta ik naast de grote witte toren die je zelfs vanaf de camping kan zien.

Als ik een rondje rond de toren loop, piept mijn horloge opnieuw, dit keer met goed nieuws: “back on your route”. Ik kijk over de rand naar beneden, naar de strakke lijn van de weg beneden die precies overeenkomt met het lijntje op mijn horloge.

Ik zucht, draai me om en zoek een route langs de andere kant van de heuvel, zodat ik uiteindelijk via een asfaltweg naar de camping ren.

“Off route!”, bliept mijn horloge.

34 honderdsten

Hoeveel ronden nog? Ik ben de tel kwijt. Er staat wel een bordje, maar het moment dat ik daar voorbij ben, twijfel ik aan wat er op stond. Ronde na ronde probeer ik bij te blijven bij de twee lopers voor me. Ik kijk niet meer vooruit, maar iets naar beneden, naar de kuiten van de loopster voor mij en probeer uit alle macht haar passen te volgen. Hoe vaak had ik al de geschreeuwde, licht verwijtende aansporing gehoord: “Haak aan, Martijn. Haak aan!” Ik loop in het rood. Diep in het rood. Hoeveel ronden nog?

Pas op de avond zelf had ik me ingeschreven voor de baanwedstrijd over 5 kilometer. Clubgenoten hadden me al een tijdje aangespoord om mee te doen en tot op het laatst had ik getwijfeld. Normaal begin ik pas een beetje warm te worden na een kilometer of zeven, dus dit is een nieuwe ervaring. Met een vers startnummer opgespeld loop ik rustig een paar kilometer in. Ik denk dat ik nog alle tijd heb als ik rustig sta te praten met wat bekenden, totdat een van hen zegt: “Zeg, moet jij niet daar staan?”
Een plukje lopers heeft zich al opgesteld bij het startpunt. Haastig voeg ik me bij hen. Ik had nog bedacht twintig minuten van tevoren een gelletje te nemen, maar dat heeft nu geen zin meer. Dat stomme ding zit irritant in de weg in het zijvakje van mijn short. Ik had ook bedacht dat ik nog wat wilde drinken… ik heb een droge mond. Tot zo ver de voorbereiding.

Loopmaatje K, waarvan ik verwacht dat hij ongeveer mijn tijd zal lopen, lijkt rustig en gefocust. Er klinkt een krachtig: “Op uw plaatsen…” Ik heb lichte paniek. Mensen lopen hier op spikes en ik heb schoenen aan waarvan ik bij het aantrekken constateerde dat er grote gaten in zitten. Als het startschot klinkt, knalt K hard naar voren in het veld. De oersterke belg die er een bizar aantal wekelijkse trainingskilometers op nahoudt, ligt al snel een meter of 50 voor me. Onbereikbaar.

Ik beland achter een tweetal dat steady rondjes aftikt. Ik heb geen idee of ik dit kan volhouden, maar besluit aan te klampen. Ik kijk op mijn horloge. Dit gaat sneller dan mijn 5K pr op de weg. Een heel stuk sneller zelfs. Ik bungel een beetje als aan een elastiek, maar opgezweept door de “Haak aan!” die ik elke 400 meter hoor, blijf ik in de buurt. Mijn wereldje heeft zich vernauwd tot de kuiten voor me en de lijnen op de baan.

Alsof ik wakker schrik uit mijn focus, zie ik dat ons steady groepje van drie langzamer is gaan lopen. En bovendien is K, die eerst nog ver voor me lag, aan het terugvallen. Ik focus nog even goed op de dansende cijfertjes op mijn horloge. Het duurt even voordat ik zie dat de 5 kilometer er bijna opzitten en besluit dat dit het moment is. Normaal zet ik mijn eindsprint te laat in, bang om halverwege stil te vallen, maar als ik er nu niet voorbij ga, ben ik te laat om K nog bij te halen. Ik verzamel moed, verhoog mijn tempo en loop vanaf dat moment niet meer op souplesse, maar op kracht. Malen moeten die benen! Het publiek ziet mijn versnelling ook en hun aanmoedigingen geven me extra energie.

Ik blijf meer snelheid maken en knal hard over K heen. In mijn hoofd klinkt alleen nog een soort alarm: energie te laag, wilskracht krakend, benen protesterend. Het rechte stuk voor de finish lijkt zo veel langer dan normaal. K werd overvallen door mijn versnelling, maar schakelt bij en terwijl de finish maar niet dichterbij wil komen, hoor ik zijn passen achter me. Als hij vlak voor de finish in mijn blikveld verschijnt, is dat net genoeg om mijn laatste restje wilskracht te doen laten smelten. Ik verbeter mijn PR met ruim een minuut.

K wint op 34 honderdsten.

Houttrail

De soep wordt ingeschonken door een vriendelijke jonge vrouw met blauw haar. Het terrein om me heen gonst van de vrolijke opluchting die hoort bij de finish van een trailrun die toch weer net even pittiger was dan je dacht. Ik kom wekelijks meerdere keren op deze atletiekbaan, maar de sfeer die het nu heeft, ken ik alleen maar van deze wedstrijd. Mensen die elkaar niet kennen bespreken de pittige klimmetjes, het onverwacht warme weer en de uiteraard de soep, die zo welkom is na al die zoetigheid waarmee de trailvestjes waren volgestouwd. Dit evenement is een pareltje. Midden in de grijze Randstad 13 tot 35 km lopen in het groen. Het kan.


Voor de race kom ik een vaag bekend gezicht tegen. We komen er achter dat we ooit samen ‘De rondjes van Pijn’ liepen, georganiseerd door hetzelfde team als deze houttrail. Tien rondjes van 4.2 km, die elk halfuur moeten worden afgetikt. We waren met elkaar in gesprek geraakt omdat hij alle ronden met een flink verzwaringsvest liep (“ik dacht, waarom niet… het zit alleen voor geen meter”), en ik had bedacht om die 42 km uit te breiden tot een 55km ultra. Idioterie schept een band.


Al vlak na de start ben ik de man kwijt. Ik heb niet echt een plan voor deze trail, maar voel me onverwacht sterk deze ochtend. Ik ken de omgeving hier op mijn duimpje, maar het is verbazingwekkend hoe veel kruipdoor-sluipdoorpaadjes er blijken te bestaan die ik nooit meeneem in mijn eigen looprondjes.

De paden zijn hard en droog, mijn trailschoenen eigenlijk te grof voor deze ondergrond. Mijn enkels hebben het zwaar, maar ik loop lekker door, haal hier en daar mensen in en begeleid door een zonnetje vermaak ik me prima.

Maar na een stuk in het open veld, valt plotseling de motor stil. Ik heb regelmatig gedronken, maar mijn lichaam wil met deze warmte niet lekker meewerken en de enkels protesteren. Vanaf dat moment voel ik me opgejaagd. Als die verzwaringsvest-gast me maar niet inhaalt… het is geen wedstrijd, maar in mijn hoofd toch wel een beetje. Ik ging zo lekker. Ik jaag mezelf aan, maar loop niet meer ontspannen.


Het onvermijdelijke gebeurt, een opgewekte stem naast me vraagt of ik lekker loop. Het is de verzwaringsvest-man zonder verzwaringsvest. Ik zeg dat ik het zwaar heb en iets van dat ik het heus wel ga redden. Al snel is hij uit beeld.


Langs de route staan kleine bordjes met haiku’s. Naast soep en de strakke organisatie, is de houttrail beroemd om haar haiku’s, ook de shirts hebben al jaren een haiku. Ze kennen vele vormen, van grappig, tot quasi diepzinnig en sommigen ook gewoon heel erg mooi. Ik besluit dat ik het race-element van deze trail laat voor wat het is.

Al wandelend spreek mezelf vermanend toe, beloof dat ik de volgende keer wél ga trainen, zet weer een drafje in, val stil en word vooral veel ingehaald. Gelukkig kom ik een paar kilometer voor de finish eindelijk weer in een ritme. Ik hoor de speaker, geklap en pers er de laatste 200 meter iets uit wat in mijn hoofd een sprintje is, maar voor de omstanders waarschijnlijk nauwelijks waarneembaar was.


Als ik na de finish voor de derde keer een hap sinaasappel wegwerk, een handje chips in mijn mond prop en het wegspoel met wat heerlijk koel water, kijk ik om me heen. En zonnetje en overal vrolijk vermoeide mensen vol verhalen. Dit is waar ik wil zijn.


Ik sluit me aan in de rij voor de soep.

Wolf

“Mijn schoenen slijten hier niet, het is geweldig.” “Ik loop eigenlijk nauwelijks nog op de weg!” Ik geloof het graag. Ik ploeg naast B door het zand van de Utrechtse Heuvelrug. We hebben elkaar al zeker een half jaar niet gezien, maar nu we eindelijk weer eens samen lopen is het alsof het halve jaar niet heeft bestaan. We pakken oude gesprekken op alsof het gisteren was. Ik ben aan het ploeteren, neem te grote stappen door het zachte zand. B draait zich om: “Vergeet je niet om je heen te kijken? Man, kijk toch eens waar we lopen!” Hij glundert.

Ik weet heel goed waar ik loop. Ik ben enorm alert. Ik loop op de plek waar nog geen dag eerder een wolf een kind meesleurde. Ik scan de omgeving continu en voel de spanning in mijn lijf. Een spanning die we bij aanvang van ons loopje weglachen door te stellen dat we dermate weinig vlees op de botten hebben, dat een wolf onmogelijk in ons geïnteresseerd zou zijn. Maar ik voel me toch een beetje kwetsbaar. Voor mij als loper een nieuwe ervaring. Zouden vrouwen zich zo voelen als ze alleen door een parkje hardlopen, vraag ik me beduusd af.

De Utrechtse Heuvelrug doet haar naam eer aan en al glooiend en draaiend volgen we sporen, slaan kleine paadjes in en raak ik mijn gevoel voor richting compleet kwijt. Af en toe valt er wat regen en wat mij betreft zijn we diep, diep het bos ingelopen. De zon heeft zich verscholen voor de nattigheid en wat net nog weelderige bomen en struiken waren, wordt een donkere muur van groen in dit matte grijzige licht. Het begint te waaien. Als we nu hier die wolf tegenkomen, dan heb ik écht geen idee wat ik moet doen of welke kant ik op zou moeten.

“Weet je waar we nu zijn?” vraag B.
“Nee, man… ergens midden in het bos?”
“We zijn nog geen kilometer van de het bungalowparkje waar vandaan we zijn begonnen. Net achter die bomen loopt de weg.”

Ik ben licht verontwaardigd, maar eigenlijk ook best blij dat mijn eigen hoofd dit stukje bos binnen de kortste keren heeft weten op te blazen tot een stuk ruige wildernis. Als er geen avontuur is, dan maak ik het kennelijk zelf wel. Mijn schouders ontspannen wat.

We lopen nog een extra lusje. “Ik wil je nog wat laten zien”, zegt B. Al snel besluit de zon dat het nu wel weer eventjes genoeg is met dat natte gedoe. De wolken lossen op en we lopen te zweten in de snel oplopende temperatuur. Mijn gemoed komt helemaal tot rust als we vanaf een heuveltje uitkijken over het landschap dat zich onder ons heeft opengevouwen. “Mooi hè” , verzucht B. Ik snap wel dat de wolf deze streek best geschikt vindt. Het is alleen jammer dat mooie plekken als deze zo schaars zijn; de ruimte beperkt. We zullen moeten delen.

Geen wolf gezien. 

Texel

Het lopen moet van ver komen. De weg is een lange streep dwars door twee weilanden. De wolken en wind doen tikkertje in de lucht en de felle zomerzon knalt hard op het asfalt om zich dan weer snel terug te trekken. Dan weer breekt het zweet me uit, dan weer is het fris. Recht voor me in de verte wil de bosrand maar niet dichterbij komen. Er is hier zo veel meer lucht dan thuis, waardoor afstanden moeilijk in te schatten zijn.

Ik word steeds ingehaald door mensen die in sportieve kleding moeiteloos traag trappend hun electrische fiets lijken uit te laten. Mensen hoeven steeds minder moeite te doen. Ik passeer een hotel aan de rand van het bos, auto’s netjes in het gelid. Hele gezinnen op gehuurde fatbikes voelen zich onaantastbaar op het kruispunt.

Zodra ik het asfalt verruil voor een onverhard paadje, net achter het hotel, valt de wereld stil. Twee gewone fietsen tegen een paaltje, maar niemand te zien. Hier is tijd. Het paadje kronkelt en vouwt zich om bosjes en oude duinen heen en al snel ben ik mijn gevoel voor richting kwijt. Dat is prima. Efficiëntie hoeft niet altijd rechtdoor te gaan.

De bomen krimpen, worden struikjes en verdwijnen dan helemaal, om plaats te maken voor mos en helmgras, de wolken en wind leggen een steeds veranderende lappendeken van licht en schaduw over de duinen, alsof ze steeds een ander deel willen uitlichten, alle tinten groen, paars en rood recht willen doen. Ik kan de zee horen en zie in de verte de kite van een surfer boven de duinenrij.

Het sprintje het laatste duin op, strandt een meter of drie van de top. En met mijn handen op mijn bovenbenen kom ik boven. Het strand ligt breed en uitgestrekt onder me, een kolonie meeuwen als enige gast. Ver naar links en rechts strandpaviljoens met rondom uitgestrooide badgasten.

Lopen over het strand geeft de benen weer kracht, zet de zintuigen op scherp. Als je niet oplet zak je scheef weg in de modder, loop je te ploeteren door het mulle zand. Maar vind je het juiste spoor, kronkelend langs de branding, dan kun je je overgeven aan een flow van steeds veranderende composities van zand, zee en horizon.

Ik laat me dan dus ook verbaasd wakkerschudden als ik de eerste strandstoelen, parasols en matjes tegenkom. Het strand is breed en ik dribbel om zandkastelen, kuilen en handdoekjes heen door het mulle zand richting de duinen. Nog even probeer ik de rechte wegen door de polders te ontlopen en blijf hangen in bospaadjes, maar uiteindelijk moet ik toch echt terug naar het midden van Texel. Het asfalt op.

Ik hijg nog een beetje uit op het bankje voor ons vakantiehuisje. Vlakbij, verborgen achter een haag, zoeven fietsers over het dijkje. Moeiteloos.

Ritme

Opeens besef ik me dat er een kilometer of twee voorbij is gegaan waarin het lopen wel vanzelf leek te gaan. En ik hoor hoe dat komt. Ik word me bewust van het zachte geluid van voeten die precies tegelijk neerkomen. Tap tap tap. De passen van H en mij zijn perfect gesynchroniseerd. Een kleine choreografie van malende benen.

“Dit is het!” roep ik uit. “Dit is wat ik miste: Ritme!”

Een plotselinge verandering duwde me kort geleden ruw een ander pad op. Oneffen, kronkelend en vol kuilen en gaten. Geen idee waar het heen gaat; onbekend terrein. Struikelend en zoekend probeer ik grip te krijgen,  een nieuw ritme te vinden. De angst voor wat zich achter de volgende bocht bevindt maakt dat de benen zwabberen.

H en ik lopen regelmatig onze gedachten tot rust, en het lijf moe en voldaan. Ooit Lang geleden liepen we samen jakkerend op de baan, opgezweept door bravoure en geldingsdrang, op hoge snelheid in exact gelijke stappen de laatste bocht voor de finish in. De coach riep iets over dat dit pas écht lopen was, terwijl onze benen opgezweept door de aansporing furieus harder en harder het tartan wegtrapten. Het zuur laat de zwaartekracht extra hard aan de voeten trekken. “Als ik zijn ritme maar kan blijven volgen, dan red ik het om bij te blijven.” H dacht waarschijnlijk precies hetzelfde. Met H is het goed lopen.

De plannen voor grootse hardloopavonturen staan al een tijdje in de koelkast. Zonder trainingsritme, verdwijnen structuur en opbouw naar de achtergrond. Maar soms lukt het toch om het ritme even terug te vinden. Op een warme avond in de lente, dicht tegen de zomer aan, lopen we een 5 kilometer op snelheid. Op de baan. Ik heb geen plan. Onder de twintig minuten zou wel mooi zijn, maar mentaal ben ik ergens anders. Op het hobbelige pad. Als ik vandaag S, een razendsnelle Indiër met een eeuwige glimlach lang genoeg kan volgen, dan moet ik het vol kunnen houden. Misschien hem dit keer wél voorbij sprinten op het laatste stukje. Iets wat faliekant mislukte op een 10 kilometer een paar weken eerder. Ik kon volgen tot de laatste anderhalve kilometer, toen hij heel beheersd zijn ritme opvoerde en ik hortend en stotend moest aanzien hoe hij steeds verder uit zicht raakte.

Maar S blijft nu ronde na ronde vlak achter me hangen. Ik hoor zijn stappen. Ik blijf stug doormalen, bang dat hij me in de laatste ronde alsnog voorbij komt. Dat kan hij makkelijk. Maar hij komt maar niet. Ik heb niemand voor me om op te focussen, om naar toe te lopen. Op de rechte stukken doe ik soms even mijn ogen dicht. Focus op de ademhaling. De coach roept aanwijzingen en aanmoedigingen. De spanning stijgt. “Vasthouden nu, hou dat ritme!”, hoor ik vanaf de kant. Nog twee ronden… Een lege baan voor me. Het ritme zal ik toch echt zelf moeten vasthouden nu. Mijn ademhaling wil eigenlijk niet meer in de pas van mijn lopen blijven. Wanneer mogen alle remmen los? Nu nog niet. Blijf in het ritme. Hou het strak. 

Ik durf niet achterom te kijken of S stiekem aan een opmars bezig is. Als ik eindelijk de laatste bocht in ga, zie ik een medeloper die ik als richtpunt kan gebruiken. De benen zijn zo zwaar nu. Het zal er niet mooi uit hebben gezien, maar ik weet een eindsprint in te zetten. Ik kom over de meet in een tijd die voor een doordeweekse donderdagavond helemaal prima is. Even denk ik dat ik een pr heb gelopen, maar omdat mijn IQ rechtevenredig achteruit gaat bij de toename van mijn loopsnelheid, blijkt dat al snel onzin. Wat ik wél heb gekregen, is het vertrouwen dat het ritme er nog is. En dat ik prima een nieuw ritme kan vinden. Op de baan, en op kronkelende paadjes.

Fiets

“Meneer, weet u waar we zijn?” Een jonge vrouw kijkt me ietwat verwilderd aan terwijl ze een telefoon in haar hand houdt. We staan midden in de duinen rond Schoorl en het is al weer even geleden dat ik op een verhard pad liep. Het blauwe slingerlijntje op mijn horloge dat de route aangeeft is al lang ingehaald door de werkelijkheid en wees me een keer recht een vennetje in, en wilde me over hekjes laten klimmen met toch duidelijke bordjes dat dat niet de bedoeling is. Het lijntje op mijn horloge is dan ook meer een grove indicatie van welke kant ik ongeveer op moet om niet per ongeluk een veel te lange ik-ben-heus-niet-verdwaald-duurloop te lopen, dan een echte route. Er zijn gewoon te veel kleine kronkelpaadjes en veelbelovende heuveltjes om je vast te houden aan een strikt plan.

Ik zeg dat ik het ook niet precies weet, maar dat ik haar graag wil helpen via de navigatie op mijn telefoon. “Die heb ik ook, maar daar heb ik dus hélemaal niks aan, hier en ik wil gewoon terug naar mijn fiets.” Ik wijs haar op een paaltje met een gekleurde pijl in de verte, onderdeel van een van de vele officiële routes door dit gebied, we zouden kunnen kijken of een van die routes snel naar een verharde weg leidt, maar ze loopt al weer bij me vandaan, haar telefoon draaiend en mopperend. “Hij staat bij een trap…” zegt ze nog, half tegen mij en half tegen zichzelf.

Ik moet een beetje haast gaan maken. Ik heb iets meer dan een halfuur nog te gaan voordat ik bij het vakantiehuisje moet zijn. Ik heb de sleutel mee en de rest nam vanaf het strand de fiets. Het is geen wedstrijdje, maar het is wel de bedoeling dat ik er eerder ben. Het mulle zand vertraagd mijn voortgang en het sprintje héén naar het strand, over de verharde weg voor de fietsers uit, blijkt toch nog meer in mijn benen te zitten dan ik dacht. Ik slinger en dwaal tussen de duinpannetjes, terwijl de minuten weg blijven tikken en ik niet echt het idee heb dat ik dichter bij het huisje kom. Als ik na een sprintje een duin op, opeens overzicht krijg over het landschap, spot ik in de verte een lintje asfalt en even later blijk ik op de harde ondergrond toch nog best wat snelheid te kunnen maken. Ik herken de route en zet nog even iets meer aan. Links van mij zie ik een trap een duin op. Zonder fiets. Drie minuten te laat, vijf minuten… Ik race het dorpje in. Op het moment dat ik mijn hoofd onder de koude kraan steek om mijn nahijgende, verhitte lijf af te koelen, hoor ik een fietsbel. 

Zondag

Jaren geleden hebben B en ik na afloop van een doordeweekse training bij AV’40 afgesproken op zondag samen een rustig duurloopje te gaan doen. En daar zijn we nooit meer mee opgehouden. Meestal ontvangt een van ons op zaterdag een berichtje van de ander met niet meer dan: 9:00u?, de ander reageert met een duimpje en alles is geregeld. Dat is nog eens effectief communiceren. 9:00u is zo veel meer dan een starttijd. Het is de zekerheid van een hoe dan ook geslaagde zondagochtend. Wat begon als een rustige duurloop ontaardde in de loop der jaren naar afstanden die door het thuisfront met oogrollen en een zucht worden beantwoord.

Meestal gaan onze duurlopen een soort van gecontroleerd mis. We verzekeren elkaar ervan dat we nu écht niet meer dan 20, hooguit 23 kilometer gaan lopen, want we zijn moe; het is koud en er moeten nog boodschappen gedaan worden; of in het geval van B. een tennistoernooi worden gewonnen. Tegen de tijd dat mijn horloge de 23 kilometer aantikt, staan we regelmatig ergens midden in de polder, of aan de verkeerde kant van het water in Zoetermeer. “Oh, is toch verder dan ik dacht”, zegt een van ons dan, om vervolgens weer een drafje in te zetten.

Die extra tijd brengt ons veel: Op zondagochtend wordt het grote en het kleine leven besproken, blessureleed gedeeld. En worden plannen gesmeed. Die plannen worden steeds groter, naarmate we langer samen lopen. We blijken na een paar Rotterdam Marathons toch wel toe aan iets anders: weg van de massaliteit. Het lopen over onverharde paadjes door het groen wordt onze nieuwe gedeelde passie. Inschrijvingen worden soms niet eens meer besproken, maar meegedeeld: “Ik heb besloten dat je je even moet inschrijven voor die trail van over een maandje, heb net ik ook gedaan”. “…Euh, ok.”

Na zo’n inschrijving volgt een vast ritueel van het opvoeren van de trainingsintensiteit, het boeken van een B&B en de discussie over hoe laat we op de startlocatie willen zijn. B. lijkt geen enkele stress te krijgen bij het idee om een kwartiertje voor het startschot eens rustig het terrein op te wandelen, terwijl ik het liefst anderhalf uur van tevoren al begin met het zenuwachtig uitproberen van alle dixies.

En zo lopen we ook onze eerste ultra. Want als je een trail van 16K loopt, kun je er ook een van 24K lopen, of van 35K. En als je daar dan mensen treft die het hebben over ultra trails, en je hebt op zondagen de tijd om daar eens rustig over te filosoferen met z’n tweeën. Dan schuifel je op een goede dag samen na 104 kilometer met holle ogen en iets tussen een grimas en een grote glimlach naar de auto.

En dat allemaal omdat we ooit besloten samen een duurloopje te gaan doen op de zondag.

En het is ook op een zondag dat B. laat vallen dat hij gaat verhuizen. Weg uit de grijze randstad, het groen in. De kilometer daarna is het stil. “We blijven nog wel samen trails lopen, hoor… zo ver weg is het niet”, proberen we nog. En dat gaat ook gebeuren, want er is niemand anders met wie ik liever belachelijk lange trails loop. Maar onze zondagochtend; dat blijkt dus eindig.

Trainen met B is samen buitenspelen, een ultra lopen met B is samen op avontuur gaan. B is de betere loper van ons twee. Hij is mentaal geweldig taai, heeft met zijn korte pasjes een zeer efficiënte loopstijl voor de langere afstanden en is tevreden met een glaasje water na een intensieve wedstrijd, terwijl ik obsessief het halve buffet van de finishpost naar binnen schuif. Met zijn lengte van bijna twee meter en enorme staken van benen, is zijn enorm hoge pasfrequentie bijna onnatuurlijk. Mijn passen zijn krachtiger. We lopen niet mooi synchroon.

Een paar zondagochtenden zullen we nog samen lopen. Geen gedoe, geen grote gebaren. Maar bitterzoete kilometers zullen het zijn, met lange stiltes, luisterend naar onze passen.

Ieder in ons eigen ritme.

Hardloopboeken

De beste hardloopboeken gaan zelden over hardlopen. En boeken die wel over hardlopen gaan, leren je weinig over wat hardlopen eigenlijk is, of wat het kan zijn.

In mijn boekenkast is een plank gereserveerd voor boeken die volgens mij over hardlopen gaan. Er staan standaardwerken in als The Lore of Running, van Tim Noakes, De mens als Duurloper van Knippenberg en uiteraard Born to run van McDougall. Literatuur van Murakami en Abdelkader Benali, staat gebroederlijk naast obscure cultboekjes zoals Never wipe your ass with a squirrel, een boekje dat werd aangehaald in een artikel dat ik ooit las en een dermate intrigerende titel heeft dat ik het wel moest aanschaffen. Er staan heel wat boeken op de plank die over de moeilijke weg naar epische prestaties gaan, biografieën en fantastische reisverslagen. Ze zijn inspirerend, maar ook onbereikbaar. Ik ben Scott Jurek niet. Ik zal nooit kunnen lopen en leven zoals Abdi Nageeye. 

Lopen doe je fysiek dan misschien wel met je benen, je armen en je longen, maar uiteindelijk loop je met je hoofd. Zo leende ik van Jolanda Linschoten het mantra ‘alert, licht, sterk’ en liep kort daarna per ongeluk een pr op de halve marathon tijdens een intervaltraining. Ook de Central Governor theorie uit The Lore of Running heeft me geholpen om te snappen waarom ik de laatste paar honderd meter na een ultra tóch nog een sprintje in de benen heb. Boekjes als Endure die de praktijk van dit idee illustreren gaven me het vertrouwen dat ook ik het fysiek kan, een ultra lopen.

En dat is allemaal geweldig. Maar nu sta ik een dag nadat ik solo ruim 60 kilometer over het strand heb gehold op een reünie van mijn basisschool. Wat gammel op de benen, maar omdat er tijdens reünies zelden wordt gevraagd of je eventjes tien kniebuigingen wil doen, kan ik het prima aan. Tot die oud klasgenoot me toch even aan het wankelen brengt. Met een blik alsof hij verwacht dat ik waarschijnlijk een antwoord op een grote levensvraag bij elkaar heb gedraafd, vraagt hij: “Heb je nog een diep inzicht gehad? Heeft het je veranderd, als mens?”.
“Ik was vooral bezig met lopen, denk ik. En dat het eigenlijk best zwaar was en…”
“Maar geen grote ideeën?” De teleurstelling is van zijn gezicht af te lezen.
“Neuh.”

Wat ik me pas later besef, is dat ik niet zozeer levensveranderende ultra’s loop, maar dat ik ultra’s loop omdat ze uiteindelijk altijd zwaar worden. En als ze zwaar worden, kun je twee dingen doen: je vlucht uit de realiteit en gaat dromen over alles behalve het nu, of je levert je over aan het moment. En als dan je zintuigen door vermoeidheid hun input ongefilterd kunnen laten binnenkomen, kun je je laten raken door de kleinste dingen. 

Zorg dat je op zo’n moment in de natuur loopt. Het is geweldig als je ontroerd raakt door hoe dat takje precies mooi wordt aangelicht door de zon, of hoe een vogel vliegt. Is de runner’s high meer intern gericht; op het perfecte samenspel tussen lichaam en geest, deze flow laat je het bos, het strand en het nauwelijks zichtbare pad anders zien.

Er zijn boeken die deze ervaring duiden. Er zijn boeken die raken aan wat hardlopen kan zijn. En dat zijn volgens mij dus ook de beste hardloopboeken. Robert MacFarlane schrijft prachtig over het lezen van het landschap. John Muir doet het. En Raynor Winn. Niet toevallig allemaal langeafstandswandelaars. 

Je kunt eerst ultra’s gaan lopen en dan je ervaring toetsen aan de bovenstaande boeken, maar je kunt ze natuurlijk ook eerst lezen om daarna dat kleine plukje stadsgroen waar je wekelijks je vaste rondje loopt te herwaarderen. En zo niet, dan heb je een paar verdraaid goede boeken gelezen.

  • De Laatste Wildernis | The Wild Places – Robert MacFarlane
  • De Oude Wegen | The Old Ways – Robert MacFarlane
  • Het Zoutpad | The Salt Path – Raynor Winn
  • De Wilde Stilte | The Wild Silence – Raynor Winn
  • Landlijnen | Landlines – Raynor Winn
  • In de Wildernis | The Wilderness World – John Muir



Factor 50

“Je ziet er een beetje bleekjes uit man. Alles ok?” B kijkt me bezorgd aan. Een paar kilometer geleden had ik nog kunnen antwoorden dat het door de factor 50 zonnebrand kwam, die zo dik als pasta is en een witte waas achterlaat. Maar het is niet de zonnebrand. Ik voel me eigenlijk best belabberd. Het is warm, mijn hartslag is veel te hoog en we zijn pas op kilometer 20. 

Bij de start had ik me nog prima gevoeld en vrolijk staan kletsen. Maar stiekem wist ik al wel een beetje dat het een pittige ochtend zou worden. De fysieke voorbereiding was maar matig, mijn hoofd vol met andere zaken. Maar, zo had ik bedacht: met bravoure kom je ook een eind.

Als je hoofd wil dat je gaat wandelen, omdat het vindt dat het te warm is, omdat je benen moe zijn, of omdat die gast voor je het ook doet, moet je weerstand kunnen bieden; mentale foefjes die je helpen om wél te blijven hollen. Maar er zijn geen zelf georganiseerde feestjes, vandaag. Alleen maar berekeningen hoe ver het nog is naar de volgende verversingspost. Niks bravoure. 

B is er al even vandoor. Of eigenlijk: ik kan al vroeg in de race niet meer aanhaken. Het is prima. Ik doe mijn oortjes in en hobbel verder. Als er op radio 2 (ja, ik luister radio 2) een vrolijk Surinaams nummer voorbij komt, blijkt dat precies het feestje te zijn dat mijn gemoedstoestand van een grauwe herfstdag naar het weer van deze dag krijgt: Zonnig.

Met die zonnige kop tref ik even later een eenzame loper, die wandelt met korte houterige pasjes. Telefoon in de hand. Ik doe mijn oortjes uit en vraag of hij ok is. 
“Ik ben echt blij dat we even samen lopen, zegt hij. Dan wandelen we samen naar de volgende verversingspost.” Als ik nog wat wil zeggen, laat hij zijn telefoon zien: “Ik heb mijn vriendin aan de lijn.”
“Oh, die helpt vast veel beter dan ik, zeg ik.
“Waarschijnlijk wel, ik hou van haar, en van jou weet ik dat nog niet.”
We schieten in de lach en nemen afscheid. Ik hobbel verder. 

Ik moet rechtsaf volgens de gpx, maar er is geen rechtsaf. Alleen maar bos. Ik beleef al een tijdje stevige pieken en dalen in mijn motivatie, en dit is geen piek. Ik loop wat verder en weer terug. Maar het is toch echt hier. Ik waag het er op, in de hoop dat ergens achter het kreupelhout iets van een paadje, of spoor verschijnt. Ik had er net de gang weer een beetje in, maar nu loop ik me vast tussen scherpe takken, prikstruiken en hoge dennen.
Ik probeer het blauwe lijntje op mijn telefoon zo goed mogelijk te volgen, maar met lopen heeft dit niets meer te maken. Ik ploeter door en voel me eventjes behoorlijk alleen. Maar dan opeens spuugt het bos me vol schrammen uit op een breed pad. De opluchting is zo groot dat ik weer goede moed krijg en een drafje inzet. Wat loopt zo’n pad toch eigenlijk heerlijk!

Het is zoals de starter bij het begin van de race zo geweldig zei: “Zorg dat je een telefoon bij je hebt, want als je er dan doorheen zit en niet meer verder wil, dan kun je ons bellen. Dan komen we naar je toe en geven je twee winegums en een aai over je bol, en dan sturen we je weer de trails op.”

De muziek, het kleine gesprekje met de loper en het fijne pad na de de dwaaltocht door het bos, zijn precies die twee winegums en de aai die ik nodig had om deze 50k gewoon uit te lopen. En uiteindelijk parkeer ik onder de finishboog mijn hoofd vrolijk tegen de koebel, die net iets massiever blijkt te zijn dan ik had ingeschat.

B was natuurlijk al lang binnen.