34 honderdsten

Hoeveel ronden nog? Ik ben de tel kwijt. Er staat wel een bordje, maar het moment dat ik daar voorbij ben, twijfel ik aan wat er op stond. Ronde na ronde probeer ik bij te blijven bij de twee lopers voor me. Ik kijk niet meer vooruit, maar iets naar beneden, naar de kuiten van de loopster voor mij en probeer uit alle macht haar passen te volgen. Hoe vaak had ik al de geschreeuwde, licht verwijtende aansporing gehoord: “Haak aan, Martijn. Haak aan!” Ik loop in het rood. Diep in het rood. Hoeveel ronden nog?

Pas op de avond zelf had ik me ingeschreven voor de baanwedstrijd over 5 kilometer. Clubgenoten hadden me al een tijdje aangespoord om mee te doen en tot op het laatst had ik getwijfeld. Normaal begin ik pas een beetje warm te worden na een kilometer of zeven, dus dit is een nieuwe ervaring. Met een vers startnummer opgespeld loop ik rustig een paar kilometer in. Ik denk dat ik nog alle tijd heb als ik rustig sta te praten met wat bekenden, totdat een van hen zegt: “Zeg, moet jij niet daar staan?”
Een plukje lopers heeft zich al opgesteld bij het startpunt. Haastig voeg ik me bij hen. Ik had nog bedacht twintig minuten van tevoren een gelletje te nemen, maar dat heeft nu geen zin meer. Dat stomme ding zit irritant in de weg in het zijvakje van mijn short. Ik had ook bedacht dat ik nog wat wilde drinken… ik heb een droge mond. Tot zo ver de voorbereiding.

Loopmaatje K, waarvan ik verwacht dat hij ongeveer mijn tijd zal lopen, lijkt rustig en gefocust. Er klinkt een krachtig: “Op uw plaatsen…” Ik heb lichte paniek. Mensen lopen hier op spikes en ik heb schoenen aan waarvan ik bij het aantrekken constateerde dat er grote gaten in zitten. Als het startschot klinkt, knalt K hard naar voren in het veld. De oersterke belg die er een bizar aantal wekelijkse trainingskilometers op nahoudt, ligt al snel een meter of 50 voor me. Onbereikbaar.

Ik beland achter een tweetal dat steady rondjes aftikt. Ik heb geen idee of ik dit kan volhouden, maar besluit aan te klampen. Ik kijk op mijn horloge. Dit gaat sneller dan mijn 5K pr op de weg. Een heel stuk sneller zelfs. Ik bungel een beetje als aan een elastiek, maar opgezweept door de “Haak aan!” die ik elke 400 meter hoor, blijf ik in de buurt. Mijn wereldje heeft zich vernauwd tot de kuiten voor me en de lijnen op de baan.

Alsof ik wakker schrik uit mijn focus, zie ik dat ons steady groepje van drie langzamer is gaan lopen. En bovendien is K, die eerst nog ver voor me lag, aan het terugvallen. Ik focus nog even goed op de dansende cijfertjes op mijn horloge. Het duurt even voordat ik zie dat de 5 kilometer er bijna opzitten en besluit dat dit het moment is. Normaal zet ik mijn eindsprint te laat in, bang om halverwege stil te vallen, maar als ik er nu niet voorbij ga, ben ik te laat om K nog bij te halen. Ik verzamel moed, verhoog mijn tempo en loop vanaf dat moment niet meer op souplesse, maar op kracht. Malen moeten die benen! Het publiek ziet mijn versnelling ook en hun aanmoedigingen geven me extra energie.

Ik blijf meer snelheid maken en knal hard over K heen. In mijn hoofd klinkt alleen nog een soort alarm: energie te laag, wilskracht krakend, benen protesterend. Het rechte stuk voor de finish lijkt zo veel langer dan normaal. K werd overvallen door mijn versnelling, maar schakelt bij en terwijl de finish maar niet dichterbij wil komen, hoor ik zijn passen achter me. Als hij vlak voor de finish in mijn blikveld verschijnt, is dat net genoeg om mijn laatste restje wilskracht te doen laten smelten. Ik verbeter mijn PR met ruim een minuut.

K wint op 34 honderdsten.